Woord van de Maond augustus 2026: sleef

Geplaatst op vrijdag 31 juli 2026 om 21:56 — Laatst bijgewerkt op donderdag 30 juli 2026 om 20:07

“Nooit van geheurd!” was mijn reactie, toen de Verre Neef van onze heemkundekring uit Helsinki en beheerder van ons aller Berghapedia-encyclopedie, Marcel Messing, het woord sleef als kandidaat voor deze rubriek aandroeg. In geen van onze Liemerse dialectwoordenboeken te vinden en geen platpraoter die het bekend voorkwam.

Dat het woord sleef hier toch voor het voetlicht gebracht dient te worden, komt voort uit het simpele feit dat Marcels vader uit Azem (Azewijn) stamt en dit dialectwoord voor pollepel als een vanzelfsprekend Azems woord aan zijn zoon had meegegeven.

Nu ligt Azewijn behoorlijk oostelijk tegen het Nedersaksische gebied aan. Zoals bekend worden de Liemerse dialecten tot het Nederfrankisch taalgebied gerekend. Maar taalgrenzen zijn geen scherpe zwaarden, dus hebben we voortdurend te maken met overgangsverschijnselen. Met woorden die duidelijk Zuid-Nederlands zijn (het bekendst ons gebruik van het voornaamwoord gi-j) en met woorden die een noordelijker afkomst hebben. Ons Woord van de Maond is zo’n woord dat in de dialecten van de Achterhoek tot Zweden voorkomt en ook ons gebied geraakt heeft.

Marcel had het woord slev in Finland van daar in het hoge noorden wonende Zweedstaligen (de Finlandssvenskar) gehoord en hij begreep het woord direct door zijn thuisdialect. Het Zweedse woord blijkt uit het Nederduits te komen. Omdat de oude taal van noordelijk Duitsland en het Nedersaksisch in Nederland uiteindelijk één dialectgebied zijn, is het niet verwonderlijk dat het woord in de dialecten van Achterhoek, Twente, Drente en Groningen opduikt. In de Nedersaksisch-wikipedia staat dan (in het Gronings) volgende uitleg: n Slaif is n lepeloard woarmit vluistovven opschept worden kinnen. Dizze lepels hebben voak n laange tengel en n daipe, komvörmege kop dij wat houks op de kop zet is, woardeur man beter scheppen kin. Gevolgd door een liedje met volgend vers: Jan Pankouk, Jan Pankouk / Jan eerdappeldaif / Zat onder de toavel / En scheet ien de slaif.

Ook uit het Nedersakisch van Lichtenvoorde en van Winterswijk zijn uitdrukkingen met sleef opgetekend. Om aan te geven dat moeder nog vrouws genoeg is, zegt (of zei?) men in Lichtenvoorde: Moder kan den sleef allene nog wal beuren. En als moeder dan uit de slof schiet, gebruik(t)e ze daar in Winterswijk de sleef voor: Van moder met den sleef kriegen! Dat het woord erg geschikt is om figuurlijk gebruikt te worden, blijkt ook uit een uitdrukking die de Zweden ermee maken: få en släng av sleven. Het betekent letterlijk een portie van de schep meekrijgen en figuurlijk dat je iets onverwachts of onbedoelds meemaakt of ondervindt.

Overigens komt sleef, zoals het stukje Gronings hierboven al liet blijken, ook met andere stamklinkers voor: slief en sleif/slaif. In het Twents spreek je het woord trouwens met een ae uit; ze schrijven het daar dan als slèef.

Het woord doet een beetje denken aan slepen, slijpen, slijten en splijten en de oorsprong moet volgens de etymologie ook in die richting gezocht worden. Het oud-germaanse to-slǣfan betekende splijten. Misschien gaat het -heel kort door de bocht gezegd- om het punt dat om voorwerpen van hout, zoals lepels, te maken hout eerst gekliefd moest worden.

En wellicht leidde dit uit elkaar gaan van materiaal ook wel tot een tweede betekenis van sleef. Van het woord wordt in een aantal woordenboeken gezegd dat het ook op een mens betrekking kan hebben. Een mens die een beetje uit het spoor loopt. De uitleg gaat dan van onnozel, dom en traag tot lummel en lanterfant. Het Duitse woordenboek heeft deze tweede betekenis ook. In het gewone Duits wordt hier het woord Schlingel voor gebruikt: Kind, das gern und mutwillig einen Streich begeht, aber im Grunde nicht bösartig ist. De kinderencyclopedie wikikids legt ons Nederlandse woord slungel eenvoudig zo uit: Een slungel is een lang, dun, slap persoon van wie je meestal niet veel goeds kunt verwachten.

En zo met die dubbele betekenis staat sleef ook nog steeds in de dikke Van Dale: sleef (v.(m.); sleven), slief [< Nederduits slef, Hoogduits Schleef ] (gewestelijk), 1 pollepel; 2 lummel.

Uiteraard -sleef komt immers nu in onze streek niet of niet meer voor- kunnen we gewoon het woord pollepel blijven gebruiken. Al moet volgens de etymologen niet de populaire vergissing begaan worden om te denken dat dit woord een samensmelting van pot en lepel is.

Tekst: Antoon Berentsen (werkgroep Dialect)

Deel deze pagina