Woord van de Maond juli 2026: graof
Geplaatst op zondag 28 juni 2026 om 21:38 — Laatst bijgewerkt op zondag 28 juni 2026 om 19:42
In onze Nederlandse dialectwoordenboeken komt het dialectwoord graaf uitsluitend voor in de betekenis sloot. “Óm det kestieël luiptj eine breie graaf”, zegt het woordenboek van het Limburgse Thorn. Het Berghse woordenboek spreekt van de graves uutdie:pe.
Het standaard-Nederlandse woord graaf verbinden we met het beeld van een adelijk persoon. “In de middeleeuwen, onder het feodalisme, was graaf de aanduiding van een militaire en/of bestuurlijke functie over een bepaald grondgebied in opdracht van de grootgrondbezitter zoals het rooms-katholieke aartsbisdom Utrecht of Keulen, aldus Wikipedia. Later werd die titel overerfbaar en zo kon macht vergaard worden. De graven van Bergh waren rijksgraven en ze behoorden tot de voornaamste adelijke families in Nederland.
We kennen het dialectwoord graaf uit het Duitse woord voor sloot: der Graben. Het is dan ook afgeleid van het werkwoord graven. Het Oud-Nederlands en Oud-Duits kende die woorden al in deze vorm. Het is een klankschilderend woord en lijkt qua klank dan ook op krabben, krassen en grabbelen. Maar ook in de andere betekenis is graaf tot krassen te herleiden. Het Oudgriekse werkwoord graphein betekende immers krassen, schrijven. En een grapheús was een schrijver en wie kon schrijven had een hoge positie. In het middeleeuwse Latijn was een grāvius een koninklijk bestuursambtenaar of toezichthouder.
Wat wij niet meer weten, maar bij Nol Tinneveld, de Didamse onderwijzer en verteller, kunnen nalezen, is dat ons dialect ooit onderscheid maakte tussen de hierboven genoemde woorden: Gillie wette wellich, dat disse mölles van Zeddam, Die:m en Zèvender vrogger algemein de Graovemölles genuump wiere. Dit vinden we in een van zijn in 1976 gepubliceerde verhalen in het boek “Vertellers uit de Liemers”. Daar ook is sprake van de rentmeister van den graof.
Voor ons betekent dat, dat we dus eigenlijk zouden moeten spreken van de dolle graof in plaats van de dolle graaf. (Hij is, 18-jarig, op bovenstaand portret uit 1746 afgebeeld. De Heemkundekring Bergh brengt in 2027 een boek over deze Johan Baptist van den Bergh, 1728-1781, uit!) Maar, eerlijk gezegd, vrees ik dat dit woord graof één van de woorden is, die ergens tussen 1901 en 1982 verloren zijn gegaan. Martinus Bruijel noemde het in 1901 nog in zijn boek “Het dialect van Elten-Bergh”, maar Henk Harmsen in zijn “Trop Barghse Weurd” daarna in 1982 niet meer. Ofschoon: zou het woord graoven-arbeider dat door Ben Mensing in 1993 aan datzelfde Berghse woordenboek is toegevoegd, misschien arbeider in dienst van de graaf en niet slotengraver betekenen? Zijn voorbeeldzin Ik bun jaorelang graoven-arbeider in die:ns van Huus Bargh gewes zou erop kunnen wijzen.
Tekst: Antoon Berentsen (werkgroep Dialect)







